Team ED bestaat uit leden die in het verleden zelf ook ervaring met (jeugd)hulp hebben gehad. ED zoekt jongeren op, gaat met ze in gesprek en ondersteunt hen daar waar nodig is, in de overstap naar zelfstandigheid.

Elk huisje heeft zijn kruisje

Amber

Een veelvoorkomend stigma rondom mensen met psychische problemen, of een verleden daarmee, is dat zij zouden opgroeien in een zwaar ontwricht of problematisch gezin. Alsof mentale problemen alleen ontstaan in milieus waar alles misgaat. Maar dat beeld klopt lang niet altijd. Sommige gezinnen lijken van de buitenkant stabiel en ‘normaal’, terwijl er onder de oppervlakte wél sprake is van beschadigde familiebanden, spanningen of emotionele onveiligheid. Het zijn juist die verborgen kanten die ervoor zorgen dat problemen niet worden herkend, waardoor mensen alleen maar verder vastlopen.

Ik ben zelf in zo’n gezin opgegroeid. Van buitenaf leek alles keurig: middenklasse gezin, ouders nog bij elkaar, elke dag samen eten, vwo, sportvereniging. Maar binnen ons gezin lag er een druk op hoe we naar de buitenwereld toe moesten overkomen. Vooral mijn moeder legde veel nadruk op perfectie: netjes zijn, niet opvallen, geen problemen tonen, omdat ze dat perfecte beeld zelf vroeger niet had. Ze wou het beste voor ons gezin, maar het werkte helaas averechts en dat maakte dat er weinig ruimte was voor echte emoties of kwetsbaarheid.

Hoewel ons gezin er dus stabiel uitzag, voelde ik me thuis niet altijd begrepen. Ik heb ADHD, was druk, werd gezien als ‘moeilijk’, en mijn ouders wisten niet goed hoe ze daarmee om moesten gaan. Op school werd ik gepest omdat ik heftige emoties had, maar dat werd vaak niet gezien omdat ik van me afbeet. Thuis leerde ik niet hoe ik over emoties moest praten, want kwetsbaarheid paste niet binnen het perfecte plaatje.

Ik voelde me nergens echt onderdeel van en daardoor ontstond een enorme prestatiedruk. Prestaties voelde als de enige manier om erkenning te krijgen, als bewijs dat het goed genoeg was. En omdat ik vaak juist heel goed presteerde, werkte dat als een soort masker. Het verborg mijn problemen, omdat iedereen aannam dat iemand met prima cijfers, een sociale houding en een zogenaamd stabiel gezin wel ‘oké’ moest zijn. Hoe beter ik het deed, hoe minder ruimte er was voor signalen dat ik eigenlijk worstelde. Het maakte mij dus onzichtbaar, totdat ik het niet meer volhield.

Op school kreeg je vooral aandacht als het níet goed ging, dus ik viel eerst juist niet op. Wanneer ik wel opviel, doordat ik te druk was of emotioneel uitbarstte door bijvoorbeeld een laag cijfer, werd ik gestraft. Soms werd mij zelfs gezegd dat ik minder moest huilen omdat anderen dat “raar” zouden vinden. Het pesten leek daardoor ineens mijn eigen schuld.

Omdat ik geen ruimte voelde om mezelf te uiten, hield ik alles verborgen. Van buitenaf leek ik een spontane, sociale meid. Totdat ik op de middelbare school in contact kwam met verkeerde vrienden. Ik werd het perfect proberen te zijn zat. Ik werd opstandig, hield me niet meer aan regels, spijbelde en begon met roken, drinken en drugs gebruiken om ergens bij te horen. Dat groeide uit tot een verslaving. Feesten, blowen, drinken, snuiven werd mijn dagelijks leven. School raakte steeds verder uit beeld en ik bleef meerdere keren zitten. Toen pas werd er gezien hoe slecht het eigenlijk met me ging.

Mijn verhaal laat zien dat psychische problemen niet altijd zichtbaar zijn en vaak compleet verborgen blijven achter een ogenschijnlijk perfect gezin. Een stabiel uiterlijk zegt niets over wat er binnenshuis speelt. Het streven naar perfectie, zeker wanneer dat van huis uit sterk wordt benadrukt, kan problemen juist verbergen en verergeren. Daarom is het zo belangrijk om het stigma te doorbreken. Psychische problemen horen niet in hokjes, niet in aannames, en al helemaal niet in het idee dat ze alleen voorkomen in ‘slechte’ milieus. Ze kunnen iedereen raken. Zolang dat stigma blijft bestaan, worden veel mensen niet écht gezien.